zwiepen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwie·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘veerkrachtig doorbuigen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1802 [1]
  • afgeleid van zweep met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zwiepen
zwiepte
gezwiept
zwak -t volledig

Werkwoord

zwiepen

  1. inergatief veerkrachtig doorbuigen en weer terugspringen
    • Het kind zwiepte heen en weer op de trampoline. 
  2. overgankelijk iets snel verplaatsen
    • De man werd door de golf tegen de mast gezwiept. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zwiepen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zwiep

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen