schommelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Schommelen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schom·me·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schommelen
/ˈsxɔməˌlə(n)/
schommelde
/ˈsxɔməˌldə/
geschommeld
/ɣəˈsxɔməlt/
zwak -d volledig

Werkwoord

schommelen

  1. inergatief op een schommel heen en weer bewegen
    • De hele dag schommelt Jantje tot hij ervan duizelt. 
  2. inergatief op en neer bewegen
    • Door de nieuwe golf van aanslagen ging de olieprijs weer aan het schommelen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.