sukkelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • suk·ke·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sukkelen
sukkelde
gesukkeld
zwak -d volledig

Werkwoord

sukkelen

  1. (inergatief) kampen met een gebrekkige gezondheid of lichamelijk gebrek
    Hij heeft nog lang gesukkeld na zijn been gebroken te hebben, maar nu is hij weer de oude.
Vertalingen