straw
Uiterlijk
- Geluid: straw (VS) (hulp, bestand)
- IPA: / strɔː /
- straw
- Afkomstig van het Oudengelse zelfstandige naamwoord streaw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| [1] | straw | - |
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| [2] | straw | straws |
straw
- (landbouw), (plantkunde) stro
- (drinken) (gereedschap) strohalm, rietje, strootje
- (figuurlijk) iets dat ondergeschikt of waardeloos is
- (dierkunde) gebruikt in namen van dieren
- (plantkunde) gebruikt in plantennamen
- (medisch) gebruikt in de ziektenaam straw itch
|
|
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to straw |
| he/she/it | straws |
| verleden tijd | strawed |
| voltooid deelwoord |
strawed |
| onvoltooid deelwoord |
strawing |
| gebiedende wijs | straw |
straw
- overgankelijk met stro afdekken/bedekken
- overgankelijk bestrooien
Categorieën:
- Woorden in het Engels
- Woorden in het Engels van lengte 5
- Woorden in het Engels met audioweergave
- Woorden in het Engels met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Landbouw in het Engels
- Plantkunde in het Engels
- Drinken in het Engels
- Gereedschap in het Engels
- Figuurlijk in het Engels
- Dierkunde in het Engels
- Medisch in het Engels
- Werkwoord in het Engels
- Overgankelijk werkwoord in het Engels