straddle

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • strad·dle
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord straddle straddles
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

straddle v/m

  1. (financieel) een call en een put-optie kopen met dezelfde uitoefenprijs en afloopdatum
     Voor twijfelaars die nog niet zeker zijn dat de olieprijs naar beneden gaat, is er een optietrucje genaamd de straddle, ofwel de spreidstand. Handelaren spreken van een straddle als een belegger een call en een put-optie koopt met dezelfde uitoefenprijs en afloopdatum.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

15 % van de Nederlanders;
15 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. straddle op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron Kees Kraaijeveld “Speculeren op het zwarte goud” (23 september 2000), de Volkskrant
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be