schrijlings

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

man zit schrijlings op een stoel
Uitspraak
Woordafbreking
  • schrij·lings
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘met de benen uiteen’ voor het eerst aangetroffen in 1615 [1]
  • afleiding van schrijden [2]

Bijwoord

schrijlings

  1. met de benen uiteen ergens op zitten of staan ook in figuurlijke zin
    • Is schrijlings goed gebruikt in de volgende zin: 'In de negentiende eeuw mochten vrouwen alleen schrijlings op een paard zitten'?Nee, schrijlings is hier niet goed gebruikt. Schrijlings betekent 'met één been aan elke kant', en dat is hier juist níét bedoeld. In de negentiende eeuw moesten vrouwen in de amazonezit te paard zitten: overdwars, met beide benen aan één kant. Tegenwoordig zitten vrouwen net als mannen schrijlings te paard. [3] 
    • Ik herinner me alleen nog boeren, schrijlings met paraplu's op ezeltjes gezeten. [4] 
    • Het is tegen de goede zeden wanneer een vrouw schrijlings achterop een bromfiets zit. Die opvatting is de conservatieve burgemeester van de plaats Lhokseumawe, in de Indonesische provincie Atjeh toegedaan. Daarom heeft hij deze houding voor vrouwen verboden. [5] 
    • En zo is het ‘wonderkind’ in zijn gok geslaagd, ruimer dan voorspeld zelfs, ondanks zijn geringe ervaring in het politieke bedrijf, zijn politieke visie die schrijlings op de links-rechts-deling zit, en zijn gebrek aan een georganiseerde partij achter zich. [6] 
stellend
onverbogen schrijlings
verbogen schrijlingse

Bijvoeglijk naamwoord

schrijlings [7]

  1. met de benen uit elkaar
    • De jongen probeert, zonder succes, met zijn schrijlingse houding indruk te maken op de politieagent. 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. etymologiebank.nl
  3. https://onzetaal.nl/taaladvies/schrijlings/
  4. Volkskrant dagboek Córdoba, 28 maart 1949. Gerald Brennan
  5. NRC 4 januari 2013
  6. de Standaard MAANDAG 8 MEI 2017
  7. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).