stoter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

[3] stoter oude munt
Uitspraak
Woordafbreking
  • sto·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stoter stoters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stoter m [2]

  1. iets of iemand die stoot
  2. stamper van een bloem
  3. oude munt met een waarde van 12,5 cent
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen