stremmen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
stremmen stremmend
stremming gestremd
stremsel
Uitspraak
Woordafbreking
  • strem·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stremmen
stremde
gestremd
zwak -d volledig

Werkwoord

stremmen

  1. ergatief neerslaan van opgeloste eiwitten
    • Van het vocht van de lebmaag stremt de melk en ontstaat wrongel. 
  2. ergatief tot stilstand komen van verkeer
    • Door het ongeluk stremde al het verkeer. 
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie