stremmen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
stremmen stremmend
stremming gestremd
stremsel
Uitspraak
Woordafbreking
  • strem·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stremmen
stremde
gestremd
zwak -d volledig

Werkwoord

stremmen

  1. (ergatief) neerslaan van opgeloste eiwitten
    Van het vocht van de lebmaag stremt de melk en ontstaat wrongel.
  2. (ergatief) tot stilstand komen van verkeer
    Door het ongeluk stremde al het verkeer.
Vertalingen