steur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • steur
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in 1059 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord steur steuren
verkleinwoord steurtje steurtjes

Zelfstandig naamwoord

steur m

  1. (vissen) (voeding) Acipenser sturio op Wikispecies, een anadrome straalvinnige vis die een lengte van 6 meter en een gewicht van 400 kg kan bereiken
    • Het kuit van de steur, kaviaar genoemd, is erg gewild. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
steuren

steur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steuren
    • Ik steur. 
  2. gebiedende wijs van steuren
    • Steur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steuren
    • Steur je? 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen