statuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·tuur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord statuur staturen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

statuur v

  1. de grootte van iets of iemand
  2. (figuurlijk) het aanzien, de status, de positie van iemand
    • Ik denk dat Schmitt een en ander voor haar heeft gedaan, het laat zich raden wat. Financieel, carrière, contacten in het buitenland. Anders zou een dame van die statuur natuurlijk nooit dat aquarium in stappen...' Breukhout liet een stilte vallen. [2] 
    • Vier dagen lang heeft het welgestelde deel van Rotterdam door zijn Katendrechtse buitentje en door zijn huis aan het Willemsplein geschooierd. Al zijn kostbare eigendommen hebben ze bij opbod onder elkaar verdeeld, alsof ze wilden afrekenen met de ontzagwekkende statuur van zijn nagedachtenis en hem in geestgestaltelijke stukken over de stad verstrooien. [3] 
    • ‘Francken was nog geen staatssecretaris toen hij dat postte, maar wat heeft hij daar nu aan? Zelfs nu komt hij bijna elke week met zo’n uitspraak. In de academische, de culturele en de politieke wereld zijn genoeg voorbeelden van mensen die dagelijks zijn ongelijk tonen. Terwijl de staatssecretaris toogpraat verkoopt. Dat hoort toch niet bij een man van zijn statuur?’[4] 
    • Niemand had volgens hem nog de statuur van een Mitterrand, die trouwens ook van zichzelf vond dat hij „de laatste van de grote presidenten” was. „Of neem De Gaulle”, zei de restauranthouder. Alleen een „grote leider” zou Frankrijk uit het moeras kunnen trekken.[5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
44 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Lau, Thé Juliette [2014] ISBN 978-90-488-2133-4 pagina 185
  3. Haasnoot, Robert Langzame wals [2015] ISBN 978-90-445-0937-3 pagina 65
  4. de Standaard 30 SEPTEMBER 2017
  5. Volkskrant Peter Vermaas 22 april 2017