spoken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spo·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spoken
spookte
gespookt
zwak -t volledig

Werkwoord

spoken [2]

  1. (inergatief) rondwaren, dolen als een spook
    Er werd de hele nacht gespookt en lol getrapt.
  2. (onpersoonlijk) door spoken bezocht worden
    Het lijkt wel of het hier spookt!
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal


Zelfstandig naamwoord

spoken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord spook