omspoken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·spo·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

omspoken [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omspoken
spookte om
omgespookt
zwak -t volledig
  1. het hier en daar bewegen van spoken
  2. (figuurlijk) geheimzinnig rondlopen of ronddwalen
Synoniemen

Gangbaarheid

31 % van de Nederlanders;
31 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen