spaan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spaan
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘afgespleten hout’ voor het eerst aangetroffen in 1260 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord spaan spanen
verkleinwoord spaantje spaantjes

Zelfstandig naamwoord

spaan v / m [3]

  1. spaander
  2. stukje metaal (of ander materiaal), verwijderd bij een verspanende bewerking
  3. (huishouden) houten gereedschap bestaande uit een blad met steel
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
spanen

spaan

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spanen
    • Ik spaan. 
  2. gebiedende wijs van spanen
    • Spaan! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spanen
    • Spaan je?