ontsnappen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·snap·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘ontkomen’ voor het eerst aangetroffen in 1648 [1]
  • Afgeleid van snappen (betrappen) met het voorvoegsel ont-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontsnappen
ontsnapte
ontsnapt
zwak -t volledig

Werkwoord

ontsnappen

  1. ergatief aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
    • Zij ontsnapten ternauwernood aan de neerstormende lawine. 
    • De jonge vrouw vertelt in Canadese media dat ze wilde ontsnappen aan het geweld van haar familie. [2] 
    • Een kort ogenblik had de Koning erover gedacht een poging te doen om te ontsnappen. Maar de Zwartnekken hadden geen enkel risico genomen. Ze hadden zijn handen en voeten met koorden bij elkaar gebonden. Hij had zich onmogelijk zelf kunnen bevrijden. [3] 
Uitdrukkingen en gezegden
ontgaan, niet opmerken
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen