ontsnappen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·snap·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van snappen (betrappen) met het voorvoegsel ont-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontsnappen
ontsnapte
ontsnapt
zwak -t volledig

Werkwoord

ontsnappen

  1. ergatief aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
    • Zij ontsnapten ternauwernood aan de neerstormende lawine. 
    • Een kort ogenblik had de Koning erover gedacht een poging te doen om te ontsnappen. Maar de Zwartnekken hadden geen enkel risico genomen. Ze hadden zijn handen en voeten met koorden bij elkaar gebonden. Hij had zich onmogelijk zelf kunnen bevrijden. [1] 
Uitdrukkingen en gezegden
ontgaan, niet opmerken
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 103