smadelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sma·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen smadelijk smadelijker smadelijkst
verbogen smadelijke smadelijkere smadelijkste
partitief smadelijks smadelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

smadelijk [1]

  1. de waardigheid van iemand verminderend
    • Door de nazi's en hun Nederlandse handlangers werd het vertrek van koningshuis en kabinet prompt uitgebuit als een bewijs van lafhartigheid. Ook een flink deel van de niet-Duitsgezinde bevolking reageerde in eerste instantie geschokt of afwijzend. De voormalige premier Colijn noemde het een smadelijke vlucht. Later werd haar beslissing meer begrepen en gewaardeerd, vooral dankzij haar strijdbare toespraken via Radio Oranje. Achteraf valt te concluderen dat ze geen beter besluit had kunnen nemen.[2] 

Bijwoord

smadelijk

  1. op oneervolle manier
    • Paardrijden was ook leerzaam.lk had een zeer deemoedigende experience toen Schilling me laatst op zijn paard liet rijden, hetwelk er stante pede van door ging tot ik smadelijk in het zand terecht kwam, zonder schadelijke gevolgen behalve t.a.v. het moreel want ik dacht al wat van de kunst te verstaan en het is minder dan niets.'[3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders
74 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Withuis, Jolande Juliana [2016] ISBN 978-90-234-3523-5 pagina 230
  3. Röling, Bert De rechter die geen ontzag had [2014] ISBN 978-90-284-2596-5 pagina 296