Naar inhoud springen

smaad

Uit WikiWoordenboek
  • smaad
  • In de betekenis van ‘laster’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1] [2][3]
enkelvoud meervoud
naamwoord smaad smaden
verkleinwoord - -

desmaadm

  1. aantasting van iemands eer of goede naam in woord of geschrift (niet per se door het verstrekken van onjuiste feiten)
    • In Nederland is smaad een specifieke vorm van strafbare belediging, waarbij men de eer of goede naam van iemand aantast door tenlastelegging van een bepaald feit en met het doel daar ruchtbaarheid aan te geven. 
vervoeging van
smaden

smaad

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smaden
    • Ik smaad. 
  2. gebiedende wijs van smaden
    • Smaad! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smaden
    • Smaad je? 
97 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[4]