smaad

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smaad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord smaad smaden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

smaad m

  1. aantasting van iemands eer of goede naam in woord of geschrift (niet per se door het verstrekken van onjuiste feiten)
    smaad bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
smaden

smaad

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smaden
    • Ik smaad. 
  2. gebiedende wijs van smaden
    • Smaad! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smaden
    • Smaad je? 

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie