schuinsmarcheerder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schuins·mar·cheer·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schuinsmarcheerder schuinsmarcheerders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schuinsmarcheerder m [2]

  1. (persoon) iemand die geen net en braaf leven lijdt, omdat hij regels overtreedt
    • Ik heb op een uniformschool gezeten, met Schotse plooirokken, alles effen donkergroen of wit. Ik droeg een T-shirt van De Nieuwe Snaar onder mijn reglementaire trui en voelde me op-en-top een schuinsmarcheerder. [3] 
    • Iedereen weet wie de geniale natuurkundige Albert Einstein (1879-1955) was, maar wat weten we over zijn persoonlijke leven? De tiendelige dramaserie Genius beantwoordt alle vragen. ,,Hij was zonder meer een schuinsmarcheerder." [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. schuinsmarcheerder op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Standaard ZATERDAG 9 SEPTEMBER 2017
  4. Tubantia 21 april 2017
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be