Naar inhoud springen

boemelaar

Uit WikiWoordenboek
  • boe·me·laar
enkelvoud meervoud
naamwoord boemelaar boemelaars
verkleinwoord boemelaartje boemelaartjes

deboemelaarm

  1. iemand die vaak boemelt (uitgaat)
77 %van de Nederlanders;
88 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be