sabotage

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·bo·ta·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sabotage sabotages
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

sabotage v [2]

  1. een ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
    • De geheime agenten zorgden voor de sabotage van de bommen van de terroristische organisatie. 
     Meerdere treinstellen waren verwoest. De oorzaak was waarschijnlijk sabotage.[3]
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. sabotage op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Zelfstandig naamwoord

sabotage

  1. sabotage


Frans

Zelfstandig naamwoord

sabotage m

  1. sabotage