saboteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·bo·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘belemmeren uit protest’ voor het eerst aangetroffen in 1920 [1]
  • afgeleid van het Franse saboter (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
saboteren
saboteerde
gesaboteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

saboteren [3]

  1. overgankelijk belemmeren (uit protest)
    • Hoe weet u zo zeker dat de (grote) bedrijven het klimaatoverleg saboteren?
      ‘Je ziet ze, zoals wij dat in ons vakgebied noemen, ‘meestribbelen’. Dat is meepraten om de boel bewust te vertragen. Ze bedienen zich daarbij van allerlei uit de politiek bekende trucjes. Door voor te stellen eerst meer onderzoek te doen, zoals de industrie aan de klimaattafel al heeft gedaan uit vrees voor hun concurrentiepositie. Heel voorspelbaar allemaal.’ [4]
       
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen