stormloop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Stormloop op het kampeerterrein op Wikipedia (nl)
Uitspraak
Woordafbreking
  • storm·loop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stormloop stormlopen
verkleinwoord stormloopje stormloopjes

Zelfstandig naamwoord

stormloop m [1]

  1. (militair) een aanval met veel materieel en manschappen
    • De stormloop kostte veel manschappen het leven, maar de vesting werd wel ingenomen. 
  2. (figuurlijk) plotselinge ongeordende grote groep mensen of dieren die ergens naartoe rent
    • Tijdens de drie dolle dwaze dagen ontstond er een stormloop op de bakken met goedkope merkartikelen. 
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
stormlopen

stormloop

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stormlopen
    • ... dat ik stormloop. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen