stormloop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Stormloop op het kampeerterrein op Wikipedia (nl)
Uitspraak
Woordafbreking
  • storm·loop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stormloop stormlopen
verkleinwoord stormloopje stormloopjes

Zelfstandig naamwoord

stormloop m [1]

  1. (militair) een aanval met veel materieel en manschappen
    • De stormloop kostte veel manschappen het leven, maar de vesting werd wel ingenomen. 
     De eindstrijd, de laatste stormloop. Hierin zou het lot van volkeren in een bikkelharde strijd worden beslist. Het ging erom wie de wereld zou beheersen.[2]
  2. (figuurlijk) plotselinge ongeordende grote groep mensen of dieren die ergens naartoe rent
    • Tijdens de drie dolle dwaze dagen ontstond er een stormloop op de bakken met goedkope merkartikelen. 
    • Russische centrale bank maant tot kalmte uit vrees voor stormloop [3] 
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
stormlopen

stormloop

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stormlopen
    • ... dat ik stormloop. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044625691
  3. www.nu.nl (27 feb 2022)
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be