rujan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Kasjoebisch

Uitspraak
  • IPA: /ˈrujan/

Zelfstandig naamwoord

rujan m

  1. oktober
Verbuiging


Maanden in het Kasjoebisch
stëcznik
januari
gromicznik
februari
strumiannik
maart
łżëkwiôt
april
môj
mei
czerwińc
juni
lëpinc
juli
zélnik
augustus
séwnik
september
rujan
oktober
lëstopadnik
november
gòdnik
december



Kroatisch

Zelfstandig naamwoord

rujan m

  1. september
Verbuiging


Maanden in het Kroatisch
siječanj
januari
veljača
februari
ožujak
maart
travanj
april
svibanj
mei
lipanj
juni
srpanj
juli
kolovoz
augustus
rujan
september
listopad
oktober
studeni
november
prosinac
december



Spaans

Werkwoord

vervoeging van
rugir

rujan

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van rugir
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van rugir