déchirer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
déchirer
déchirais
déchiré
eerste groep volledig

Werkwoord

déchirer

  1. scheuren, afscheuren, verscheuren
  2. (spreektaal) (een vrouw) pakken, nemen [1]#(spreektaal) ontmaagden
    «Josyane s'est fait déchirer par ce vieux connard.»
    Josyane heeft zich door die ouwe zak laten ontmaagden. [1]
  3. (spreektaal) indruk, de blits maken
    «Il déchire grave, ton costume.»
    Met jouw kostuum maak je echt de blits. [1]

Verwijzingen