relatief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·la·tief
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘in verband met, betrekking hebbend op’ voor het eerst aangetroffen in 1598 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord relatief relatieven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

relatief o [3]

  1. (taalkunde) betrekkelijk voornaamwoord
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen relatief relatiever relatiefst
verbogen relatieve relatievere relatiefste
partitief relatiefs relatievers -

Bijvoeglijk naamwoord

relatief [4] relatief

  1. beschouwd in vergelijking met iets anders, betrekkelijk
    • Geld uit de muur halen is relatief eenvoudig. 
    • Met uitzondering van het Mark Taper Forum in L.A. zijn alle theaters die we hebben geboekt relatief klein, alleen onder die voorwaarde was ik bereid het stuk uit New York en Minetta Lane weg te halen. Ik geloof niet in zalen met meer dan vierhonderd stoelen. [5] 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen