relatief

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·la·tief
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord relatief relatieven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

relatief o [2]

  1. (taalkunde) betrekkelijk voornaamwoord
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen relatief relatiever relatiefst
verbogen relatieve relatievere relatiefste
partitief relatiefs relatievers -

Bijvoeglijk naamwoord

relatief [3] relatief

  1. beschouwd in vergelijking met iets anders, betrekkelijk
    • Geld uit de muur halen is relatief eenvoudig. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal