relatief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·la·tief
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘in verband met, betrekking hebbend op’ voor het eerst aangetroffen in 1598 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord relatief relatieven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

relatief o [3]

  1. (taalkunde) betrekkelijk voornaamwoord
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen relatief relatiever relatiefst
verbogen relatieve relatievere relatiefste
partitief relatiefs relatievers -

Bijvoeglijk naamwoord

relatief [4] relatief

  1. beschouwd in vergelijking met iets anders, betrekkelijk
    • Geld uit de muur halen is relatief eenvoudig. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen