relativiteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·la·ti·vi·teit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘betrekkelijkheid’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • Afgeleid van relatief met het achtervoegsel -iteit
enkelvoud meervoud
naamwoord relativiteit relativiteiten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

relativiteit v

  1. beperkte geldigheid of waarde
  2. (natuurkunde) het alleen bestaan ten opzichte van iets anders
  3. (juridisch) het gebonden zijn aan zekere relaties
Afgeleide begrippen


Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen