ratio

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ra·tio
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn.
enkelvoud meervoud
naamwoord ratio ratios
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ratio v

  1. (wiskunde) verhouding, een verband in de vorm van een breuk tussen getalsmatige grootheden
    • De ratio Franstaligen over Nederlandstaligen in België is 4/6. 
  2. een redenering, een onderliggende gedachte
    • Wat is de ratio achter dit plan? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

Woordafbreking
  • ra·tio
enkelvoud meervoud
ratio ratios

Zelfstandig naamwoord

ratio

  1. verhouding