premier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·mier
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘eerste minister’ voor het eerst aangetroffen in 1904 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord premier premiers
verkleinwoord premiertje premiertjes

Zelfstandig naamwoord

premier m

  1. (beroep) (regering) de minister die het kabinet aanvoert
    • De premier had moeite met het verdedigen van de begroting. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Rangtelwoord (fra)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

Rangtelwoord

premier

  1. eerste (vrouwelijk: première)
    «Je suis son premier frère.»
    Ik ben zijn/haar eerste broer.
    «Voici la première maison.»
    Hier is het eerste huis.