pos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pos
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord pos possen
verkleinwoord posje posjes

Zelfstandig naamwoord

pos v/m

  1. (vissen) Gymnocephalus cernuus op Wikispecies vis behorend tot de familie van de baarsachtigen
Vertalingen

Gangbaarheid

38 % van de Nederlanders;
28 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen


Indonesisch

Woordafbreking
  • pos
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

pos

  1. post


Oppersorbisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

pos m

  1. (roofdieren) hond