waterpolo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·ter·po·lo
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord waterpolo -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

waterpolo o

  1. (sport) een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
    Hij heeft enige tijd waterpolo gespeeld.
Verwante begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Spaans

enkelvoud meervoud
waterpolo -

Zelfstandig naamwoord

waterpolo m

  1. (sport) waterpolo