waterpolo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·ter·po·lo
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord waterpolo -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

waterpolo o

  1. (sport) een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
    • Hij heeft enige tijd waterpolo gespeeld. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
waterpoloën

waterpolo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waterpoloën
    • Ik waterpolo. 
  2. gebiedende wijs van waterpoloën
    • Waterpolo! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waterpoloën
    • Waterpolo je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Spaans

enkelvoud meervoud
waterpolo -

Zelfstandig naamwoord

waterpolo m

  1. (sport) waterpolo