pok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een getekende illustratie van een vrouwenhand met op verschillende plekken een pok (op een vinger, bij de handpalm/-rug, en twee op de pols), of overblijfselen van genezen pokken.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pok pokken
verkleinwoord pokje pokjes

Zelfstandig naamwoord

pok v / m

  1. (medisch) puist, zweertje of kuiltje bij de ziekte: de 'pokken'
  2. litteken van een inenting tegen 'pokken' met vaccin van koepok
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
pokken

pok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pokken
    • Ik pok. 
  2. gebiedende wijs van pokken
    • Pok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pokken
    • Pok je? 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen