pok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pok
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘puistje’ voor het eerst aangetroffen in 1401 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord pok pokken
verkleinwoord pokje pokjes

Zelfstandig naamwoord

pok v / m

  1. (medisch) puist, zweertje of kuiltje bij de ziekte: de 'pokken' [3]
  2. litteken van een inenting tegen 'pokken' m.b.v. koepok
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
pokken

pok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pokken
    • Ik pok. 
  2. gebiedende wijs van pokken
    • Pok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pokken
    • Pok je? 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen