perfect

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • per·fect
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘volmaakt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1479 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen perfect perfecter perfectst
verbogen perfecte perfectere perfectste
partitief perfects perfecters -

Bijvoeglijk naamwoord

perfect

  1. zonder enig gebrek
    • De perfecte man of vrouw bestaat niet. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Woordafbreking
  • per·fect

Bijvoeglijk naamwoord

perfect

  1. perfect, volmaakt.
  2. (taalkunde) voltooid