overkomen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • over·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overkomen
overkwam
overkomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

(niet scheidbaar)
overkómen [1]

  1. ergatief aan iemand iets ~: getroffen worden door een bepaalde gebeurtenis.
    • Hem overkwam een vreselijk ongeluk. 
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overkomen
kwam over
overgekomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
óverkomen [2]

  1. ergatief de andere kant bereiken.
    • Het onweer is de rivier overgekomen. 
  2. ergatief meest onbedoeld een bepaalde indruk wekken op iemand anders.
    • Dat kwam over als een hatelijke opmerking. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen