origine

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ori·gi·ne
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘oorsprong’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1720 [1]
  • van Frans origine [2][3]
enkelvoud meervoud
naamwoord origine origines
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

origine v

  1. plaats of tijd waar iets of iemand uit afkomstig is
    • De afgelopen 39 jaar was het torentje wit geverfd, maar tijdens restauratiewerkzaamheden kwamen architectuurhistorici erachter dat de toren van origine niet geverfd was, maar een donkergrijze kleur had. [4]
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
originar

origine

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van originar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van originar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van originar