afkomst

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·komst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afkomst afkomsten
verkleinwoord afkomstje afkomstjes

Zelfstandig naamwoord

afkomst v

  1. de familie waarvan je afstamt
    • Die jongen heeft een goede afkomst, maar is toch gaan stelen. 
    • Hij is van adelijke afkomst. 
  2. de plaats waar je vandaan komt
    • De afkomst van de inbrekers was onbekend. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl