opsplitsen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·split·sen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

opsplitsen [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opsplitsen
splitste op
opgesplitst
zwak -t volledig
  1. open maken van een touw zodat men iets tussen de strengen van het touw kan steken
  2. verdelen in kleinere onderdelen
    • Na de plenaire bijeenkomst hebben we ons opgesplitst in kleinere groepen. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen