opdelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·de·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opdelen
deelde op
opgedeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

opdelen

  1. overgankelijk ~ in geheel in stukken verdelen
    • Aan het eind van de 18e eeuw werd Polen opgedeeld tussen zijn buren. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.