opponent

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·po·nent
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opponent opponenten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

opponent m [3]

  1. de tegenstander in een debat
    • De SPD-leider waagde er zich niet aan om zijn opponent Merkel openlijk aan te vallen. Maar hij presenteerde wel een paar voorstellen die het CDU niet met gejuich zal ontvangen. [4] 
    • Mensenrechtenorganisaties en opponenten van Chávez zien de uitspraak als bewijs dat de linkse, autoritaire president het Hooggerechtshof in zijn zak heeft. Human Rights Watch publiceerde een kritische reactie: „Het Hooggerechtshof van Venezuela behoort vandaag de dag in principe tot president Chávez.” [5] 
  2. lid van een promotiecommissie bij een wetenschappelijke promotie die als taak heeft het proefschrift kritisch te lezen en de promovendus kritisch te bevragen
  3. iemand die in een discussie tegen de verdedigde stelling opkomt
  4. de tegenpartij in een rechtszaak
    • Zegveld vreesde dat Knoops de mariniers dermate gaat voorbereiden, dat ze niet meer uit eigen waarneming en ervaring onafhankelijk spreken. Knoops is vroeger zelf ook marinier geweest en is nog steeds reserveofficier. Zegveld heeft de angst dat hij vanuit die rol als verlengstuk van haar opponent, het ministerie van Defensie, zou kunnen spreken. [6] 
  5. (sport) tegenstander in een sportwedstrijd
    • De Belgische vrouwen wonnen hun openingswedstrijd in poule F met 3-1 van Denemarken (ITTF 60). Donderdag zijn Servië (ITTF 28) en Italië (ITTF 30) de opponenten. [7] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen