ontkalken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·kal·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Werkwoordelijke afleiding van kalk met het voorvoegsel ont-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontkalken
ontkalkte
ontkalkt
zwak -t volledig

Werkwoord

ontkalken

  1. overgankelijk kalk van een metalen oppervlak, met name van de binnenkant van waterkokers e.d., verwijderen
    • Je moet die waterkoker elke maand met azijn ontkalken. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.