onophoudelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·op·hou·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onophoudelijk onophoudelijker onophoudelijkst
verbogen onophoudelijke onophoudelijkere onophoudelijkste
partitief onophoudelijks onophoudelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

onophoudelijk

  1. zonder stoppen
    • Haar onophoudelijke zeuren bracht iedereen tot wanhoop. 
Vertalingen

Bijwoord

onophoudelijk

  1. zonder te stoppen, als maar doorgaand
    • Het bleef, naar ons gevoel, de hele zomer onophoudelijk door regenen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.