Naar inhoud springen

onbewogen

Uit WikiWoordenboek
  • on·be·wo·gen
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen onbewogenonbewogeneronbewogenst
verbogen onbewogenste
partitief onbewogensonbewogeners-

onbewogen

  1. kalm, rustig
    • De burgemeester keek onbewogen naar de zaal waarin mensen zich verschrikkelijk aan het opwinden waren. 
     'Pro bono,' zei hij met een onbewogen gezicht.[1]
     ' Hij leunde gretig naar voren, voorbereid op een geschokte of verbaasde reactie, maar Cicero hoorde dit sensationele nieuws even onbewogen aan alsof hem net was verteld wat voor weer het morgen zou worden.[1]
  2. hard, meedogenloos
    • De misdadiger keek onbewogen toe hoe zijn slachtoffer dood ging. 
     Zijn onbewogen reactie maakt haar alleen maar bozer.[2]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]
  1. 1 2 “Imperium” (2006), Cargo, ISBN 9023420535
  2. “De familie Wachtman” (2006), Ambo/Anthos, ISBN 9789026352508
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be