Naar inhoud springen

bewogen

Uit WikiWoordenboek
  • be·wo·gen
vervoeging van
bewegen

bewogen

  1. meervoud verleden tijd van bewegen
    • Wij bewogen. 
    • Jullie bewogen. 
    • Zij bewogen. 
  2. voltooid deelwoord van bewegen
     Ik had het gevoel alsof ik onder water zat en alsof hun lichamen geen echte lichamen waren, maar slechts vage kleurvlekken die door mijn blikveld bewogen.[1]
     Er bewogen zich trams, weinig auto's, veel fietsen, veel voetgangers.[2]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen bewogenbewogenerbewogenst
verbogen --bewogenste
partitief bewogensbewogeners-

bewogen

  1. toestand waarin je verkeert als iets je emotioneel geraakt heeft
     Hoewel het in alle opzichten een bewogen verblijf was, voel ik op dit moment wel degelijk vakantiesomberheid dat het nu bijna voorbij is.[3]
    • De man was diep bewogen toen hij hoorde dat zijn dochter bevallen was van een gezonde tweeling. 
  2. druk met veel gebeurtenissen
  3. (van foto's) onscherp door bewegen van de camera tijdens de opname
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. De tranen der acacia's” op Wikipedia (1949), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028242364
  3. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be