omwenden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·wen·den
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

omwenden [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omwenden
wendde om
omgewend
zwak -d volledig
  1. helemaal omdraaien
    • Er verscheen een grimmig trekje op het gelaat van de ddt-koning. Hij trok zijn jas recht en terwijl hij zich omwendde om heen te gaan, riep hij uit: ‘Ik zal het goedmaken, heer Pastinakel! Nu zal ik iets laten spuiten waar die gele nerfknager niet van terug heeft! Het is uit met mijn geduld!’ [2] 
    • Als hij op 5 juni 1989 meldt dat „de triestigheid niet wil overgaan”, dan vraagt hij zich af hoe dat komt. „Is het verdriet naar God, zoals in de psalm staat: dorst naar de levende God? (...) Dan ben ik dus een arme aan de poort. Ik zou willen dorsten naar de levende God, maar het enige wat ik zeggen kan is: ik heb dorst. Wat er te koop is in de wereld voldoet mij niet, zelfs het liefste schiet te kort, ik ben onvoldaan. Maar mij bruusk omwenden en alleen de Andere Wereld zoeken - ik kan het niet.” [3] 
    • De nodiging op zichzelf is: „Wendt u naar Mij toe.” Taalkenners berichten ons dat het Hebreeuwse woord een zeer nadrukkelijke betekenis heeft: „zich omkeren, zich omwenden”, naar een persoon of plaats, waarbij men zijn hulp of vrijheid zoekt. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Marten Toonder 8 juni 2012 De Bovenbazen (26)
  3. Reformatorisch Dagblad J. Maasland 20-10-2004 Een stille duif in de verte
  4. Reformatorisch Dagblad Theodorus Avinck 08-06-2015 Zie op Mij