omdraaien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·draai·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omdraaien
draaide om
omgedraaid
zwak -d volledig

Werkwoord

omdraaien

  1. ergatief een halve slag draaien
    • Het oliebol was vanzelf omgedraaid. 
  2. overgankelijk een halve slag doen draaien
    • Hij draaide de bladzijde om. 
  3. overgankelijk in het tegenovergestelde doen veranderen
  4. wederkerend zich ~: een halve draai om zijn as maken
    • Hij draaide zich aarzelend om en tuurde naar de plaats waar hij vandaan gekomen was. [1] 
    • Albert stond in derde positie, achter Berry en de jonge Péricourt, die zich omdraaide als om na te gaan of iedereen er wel was [2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 23
  2. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 15
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be