omdraaien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·draai·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omdraaien
draaide om
omgedraaid
zwak -d volledig

Werkwoord

omdraaien

  1. ergatief een halve slag draaien
    Het oliebol was vanzelf omgedraaid.
  2. overgankelijk een halve slag doen draaien
    Hij draaide de bladzijde om.
  3. overgankelijk in het tegenovergestelde doen veranderen
    TV-station Fox draait de zaak om: ze gaat de reclame onderbreken door programma's, om kijkers vast te houden
  4. wederkerend zich ~: een halve draai om zijn as maken
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.