nuttigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nut·tig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nuttigheid nuttigheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nuttigheid v [1]

  1. nut
    • Een absolute nuttigheid heeft het land misschien niet, maar België als eenheid helpt mensen wel te functioneren in de dagelijkse realiteit.[2] 
    • Laten we vooral goed voor onze natuur zorgen en niet uitsluitend aan nuttigheid denken, maar vooral aan natuurschoon.”[3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen