nuttig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nut·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van nut met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nuttig nuttiger nuttigst
verbogen nuttige nuttigere nuttigste
partitief nuttigs nuttigers -

Bijvoeglijk naamwoord

nuttig

  1. van nut zijnde
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
nuttigen

nuttig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nuttigen
    • Ik nuttig. 
  2. gebiedende wijs van nuttigen
    • Nuttig! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nuttigen
    • Nuttig je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.