nationalist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·ti·o·na·list
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nationalist nationalisten
verkleinwoord nationalistje nationalistjes

Zelfstandig naamwoord

nationalist m

  1. een nationaal gezind persoon, aanhanger van het nationalisme
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie