nachtblind

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nacht·blind
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nachtblind nachtblinder nachtblindst
verbogen nachtblinde nachtblindere nachtblindste
partitief nachtblinds nachtblinders -

Bijvoeglijk naamwoord

nachtblind

  1. (medisch) niet tot nauwelijks in staat nog wat te zien als er weinig licht is
    • Ik ben een tikje nachtblind, onderscheidde zodoende niet duidelijk de persoon die zich voor de televisie zette en meteen maar een gebakje opat. [3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie

enkelvoud meervoud
naamwoord nachtblind nachtblinden
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

Zelfstandig naamwoord

nachtblind o

  1. (historisch) luik om vensters af te sluiten wanneer het donker wordt
    • In den nacht van 1 op 2 Juni j.l. was de 31-jarige petroleumventer M. D. uit Standdaarbuiten de woning van den den landbouwer P. BI. aldaar binnengedrongen, door een raam, toegang gevende tot die woning, open te schuiven, het voor dat raam zich bevindende nachtblind weg te schuiven en daarna dat huis binnen te gaan. [4]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • nacht·blind
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

nachtblind

  1. (medisch) nachtblind
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening