inboeten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·boe·ten
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

inboeten [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inboeten
boette in
ingeboet
zwak -t volledig
  1. overgankelijk inboeten aan: afnemen in kracht, aanzien, macht, belang, invloed, kwaliteit, geloofwaardigheid enz
    • En op hetzelfde moment worden we getrakteerd op literatuur van de bovenste plank, een boek dat nooit aan kracht zal inboeten, simpelweg omdat de mens - vergeef me mijn zwartgalligheid - onverbeterlijk is.[3] 
    • Het probleem is dat wetenschappers niet de enigen zijn die erover beschikken. De feiten die wetenschappers produceren, zijn immers allemaal te vinden in de enorme supermarkt die internet heet. Wanneer mensen daar zoeken, vinden ze de resultaten van tal van studies die elkaar inderdaad soms tegenspreken. Als wetenschap hierdoor al aan geloofwaardigheid zou inboeten, dan komt dat ook door de valse belofte die wetenschappers zelf doen.[4]  
Synoniemen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. inboeten op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Golding, William De heer der vliegen vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema 2011 ISBN 978-90-5965-388-7 pagina 11
  4. Volkskrant 2 juni 2017,
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be