metafoor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·ta·foor
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘overdrachtelijke uitdrukking’ voor het eerst aangetroffen in 1786 [1]
  • met het voorvoegsel meta- en met het achtervoegsel -foor [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord metafoor metaforen
verkleinwoord metafoortje metafoortjes

Zelfstandig naamwoord

metafoor v/m

  1. (taalkunde) beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen