leeuwendeel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leeu·wen·deel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leeuwendeel leeuwendelen
verkleinwoord leeuwendeeltje leeuwendeeltjes

Zelfstandig naamwoord

leeuwendeel o

  1. het grootste deel, het belangrijkste deel
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.